Emergente processen in het veiligheidscomplex

 

Gepubliceerd in: Panopticon, jrg. 32, nr. 1, 2011, pp. 65-70.

 

Patrick Van Calster en Marc Schuilenburg

 

Wanneer we politici en beleidsmakers mogen geloven, dan is de remedie voor het veiligheidsprobleem niet al te ingewikkeld: enerzijds meer toezicht en blauw op straat, anderzijds langere gevangenisstraffen. Echter, naast het zich meer toe-eigenen van het overlast- en criminaliteitsprobleem, zien we tegelijkertijd een overheid die andere partijen verantwoordelijk maakt voor de veiligheidsproblematiek. Dit wordt veelal gelegitimeerd in wat een integrale veiligheidszorg wordt genoemd. Een ander voorbeeld is dat tegenover de inzet van meer preventieve middelen om het criminaliteitsprobleem aan te pakken (dat gebaseerd is op het besef dat het klassiek strafrecht met zijn nadruk op opsporing en bestraffing hierin tekort schiet), een meer repressieve, harde aanpak staat.(1) Bovenstaande paradoxen doen vragen rijzen over de manier waarop in het huidige veiligheidscomplex beleid kan worden gemaakt. Meer bepaald luidt de vraag welke houding moet/kan worden aangenomen ten aanzien van de relatie tussen beleid en de praktijk zelf. Want uit het dominante veiligheidsdiscours kan worden afgeleid dat het veiligheidsprobleem buiten alleen maar kan worden aangepakt wanneer het binnen (lees: managerial) goed gaat. Daarom gaan we in deze bijdrage in op de kwestie van beleid voeren. Volgens ons speelt de idee van reïficeren daarbij een grote rol. Reïficeren is een benadering van de werkelijkheid waarbij sociale fenomenen los worden gezien van menselijke handelingen. In antwoord op de gevaren van deze benadering introduceren we een procesdenken. Daarmee willen we aandacht vragen voor meer beleidsaandacht voor wat wij het moleculaire niveau in het veiligheidsvraagstuk hebben genoemd.(2)

 

Reïficatie

Volgens Berger en Luckman is reïficatie het gevolg van een te ver doorgedreven proces van objectivering.(3) Concreet betekent dit dat de sociale werkelijkheid niet langer wordt gezien als een product van het menselijke handelen. De werkelijkheid wordt dan een ontologische basis gegeven die losgekoppeld wordt van menselijke interacties. Instituties zoals politie en justitie worden hierin gezien als op zich staand, als ‘vanzelfsprekend’ en ‘noodzakelijk’.(4) Ook functies en management kunnen het voorwerp uitmaken van het hierboven beschreven process van reïficatie. In deze voorbeelden slagen individuen er niet langer in om een verschil te maken tussen de functie die ze uitoefenen en zichzelf en leggen bijgevolg beperkingen aan hun eigen keuzevrijheid op omdat ze denken te moeten handelen conform de positie die ze bekleden.
Het resultaat is dat wanneer men instituties, zoals politie en justitie, reïficeert, en dus niet ziet als een product van het menselijke handelen, men ze als een ‘dingen’ voorstelt, die handelen volgens eigen wetmatigheden en dus een determinerende kracht uitoefenen op haar leden en werknemers.(5) De mensen die deze instituten bevolken verliezen de hoop dat zij een impact kunnen hebben op de werkwijzen en ontwikkelingen van hun instellingen. Zij ontwikkelen de idee dat het niet uitmaakt wat ze doen, omdat de dynamieken van hun instituut onderworpen is aan krachten die zich buiten hun bereik bevinden of waarop ze slechts in beperkte mate invloed kunnen uitoefenen.
Het gevolg is dat er binnen deze instituten niet veel aandacht gaat naar de werknemers op de werkvloer, maar naar het management en de top van het instituut. Zij worden verondersteld niet onderhevig te zijn aan de determinerende krachten. Deze benadering impliceert dat deze individuen buiten de dynamieken van het instituut staan, en als een soort outsiders deze dynamieken evalueren, plannen bedenken en de juiste remedies voorschrijven waarna deze remedies kunnen worden toegepast. Het is het management dat uitzonderlijke kwaliteiten bezitten. Het zijn hervormers, zoals wetenschappers, wetgevers, praktijkmensen, politici en beleidsmakers, wiens visie de ontwikkelingen van het instituut bepalen. Dit is een zeer mechanische manier om naar de sociale werkelijkheid te kijken en negeert de vele interacties doorheen het hele instituut, die net zoals de interacties van de managers een belangrijke invloed uitoefenen op wat op een structureel of molair niveau plaatsgrijpt.(6)

 

Wisselwerkingsprocessen

Een belangrijke vraag is waarom het opleggen en implementeren van een nieuwe maatregel dikwijls zo weinig genereert. Ulrich Beck bijvoorbeeld wijst erop dat de politieke debatten over vele huidige maatschappelijke problemen in wezen hypocriet zijn, omdat een aantal belangrijke problemen juist een product zijn van (een falende) regelgeving.(7) Voor elke oplossing duiken vele andere, nieuwe problemen op. Maatregelen hebben immers niet zelden een averechts effect.(8) Volgens Beck laten nieuwe problemen zich steeds moeilijker via wetten en structuren oude stijl regelen, omdat talloze maatschappelijke gebeurtenissen zich aan de macht van het politieke centrum onttrekken.
Daarom is het belangrijk te onderkennen dat beleidsmakers niet buiten de werkelijkheid en maatschappelijke dynamieken kunnen stappen, van waaruit zij nieuwe manieren van oplossingen ontwerpen om die vervolgens aan de werkelijkheid op te leggen. Beleidsmakers maken onvermijdelijk deel uit van het beleid dat zij maken. Zij hebben met andere woorden een belangrijk aandeel in wat zij trachten te hervormen.(9) Beck indachtig is het misschien aannemelijker om het veiligheidsvraagstuk te omschrijven als een complex wisselwerkingsproces dat de vorm aanneemt van reeksen van (talige en niet–talige) interacties.(10) Immers, personen doorheen alle lagen van de samenleving en instituten interageren voortdurend op en met elkaar. En het is juist in en door die reeksen van interacties dat allerlei handelingen, zoals samenwerking en conflicten, tot stand komen. Diezelfde interacties kunnen vele verschillende vormen aannemen. Ze kunnen onder meer onschuldig, conform, bewust, maar ook uitdagend en onbewust zijn.
Wanneer je deze reeksen van interacties op de voorgrond plaatst, rijst de vraag hoe beleid en hervormingen zich precies voltrekken en wat de impact is van handelingen van personen die vaak als de bron van die hervormingen worden geduid, zoals wetgevers, politici, leidinggevende praktijkmensen, beleidsmakers of wetenschappers. Die hervormers leggen zich immers toe op gewenste veranderingen. Ze ontwerpen modellen, maken plannen, wetteksten, of beleidsdocumenten, en dit proces krijgt vorm doorheen de interacties die de actoren met elkaar hebben, vaak met uiteenlopende belangen, conflicten en rationele en emotionele overwegingen. Bij de implementatie van die modellen, actieplannen of wetteksten hebben hervormers dus nooit zekerheid over de impact ervan.
Ongetwijfeld zal de impact van de interacties tussen de vele leidinggevende actoren overheen het veiligheidsvraagstuk veel groter zijn dan de interacties in en uit de lagere echelons. Immers, leidinggevende actoren bereiken een veel groter publiek en kunnen bovendien hun beslissingen en maatregelen proberen af te dwingen. Maar leidinggevende praktijkmensen, politici, beleidsmakers, wetgevers of criminologen kunnen de facto niet bepalen wat de reacties van het werkveld op hun plannen en intenties zullen zijn. Daarom hangt de waarde en het belang van de maatregelen die ze nemen af van de wijze waarop anderen reageren. Het is dus in en door reeksen van interacties dat de dynamieken en ontwikkelingen van het veiligheidsvraagstuk en haar vele verschillende instituten worden geconstrueerd. Niemand kan de dynamiek vande interacties binnen een instituut of samenwerkingsverband bepalen omdat die dynamiek afhangt van wat anderen zullen doen. Meer nog,ook de wijze waarop externe organisaties reageren, bepaalt deze dynamieken van transformatie. Kortom, het gedrag van het geheel is – om een begrip uit de complexiteitswetenschappen te gebruiken – eerder emergent omdat het nooit de exacte verwezenlijking zal zijn van een voorafgaand ontwerp.

 

Emergentie

De vraag die onmiddellijk opduikt is: hoe is het mogelijk dat duizenden mensen die met elkaar interageren toch een coherente politionele of ‘veiligheidscultuur’ kunnen produceren? Het antwoord op deze vraag is gerelateerd met de intrinsiek zelforganiserende, emergente eigenschappen van de interactie zelf.(11) Recent wetenschappelijk complexiteitsonderzoek wijst uit dat interacties tussen grote aantallen entiteiten, die op basis van hun eigen lokaalgebonden gedragingen, gewoontes en principes op elkaar reageren, onder bepaalde voorwaarden (zoals diversiteit) coherente gedragspatronen produceren die vernieuwing(en) kunnen inluiden. Anders gezegd, interacties hebben de inherente capaciteit om spontaan een coherent patroon op zichzelf te produceren.(12) Abstracte systemen kunnen zich dus zelf organiseren, en daarmee (gedrags)patronen produceren, zonder dat die (gedrags)patronen werden opgelegd. Dit interactieproces tussen mensen die voldoende verschillend van elkaar zijn, kan bijgevolg worden beschreven als een zelforganiserend proces dat de intrinsieke capaciteit heeft om (gedrags)patronen te vormen. Dit is wat wij bedoelen met complexe wisselwerkingsprocessen. Het is daarbij belangrijk om meteen op te merken dat het interactiepatroon niet alleen zichzelf organiseert op het molaire of ‘structurele’ niveau maar dat tegelijkertijd ook doet op een moleculair of dynamisch niveau.(13) Dit betekent dat het problematisch is om beide niveaus uit elkaar te halen, omdat zij tezamen en tegelijkertijd opduiken. Zoals wetenschappers als Kauffman en Ray hebben aangetoond, vormt het moleculaire niveau het molaire niveau terwijl het tezelfdertijd door dat molaire niveau wordt gevormd.(14) Laten we daarom verder ingaan op deze complexiteitswetenschappen.
In computersimulaties zoals uitgevoerd door Kauffman wordt elke agent uitgedrukt als een computerprogramma.(15) Elk computerprogramma is een set van regels en instructies die de manier bepalen waarop dat programma met andere computerprogramma’s moet interageren. Omdat de nadruk wordt gelegd op een agent-based benadering, wordt het onderzoeksobject uitgedrukt als een populatie van agenten die met elkaar volgens hun eigen lokale ‘als-dan’ regels interageren.(16) Je formuleert dus geen regels of wetmatigheden die geldig zijn voor gehele populaties, maar eerder interactieregels voor de individuele entiteiten die samen een populatie of systeem uitmaken. Een complex adaptief systeem bestaat dan uit een groot aantal agenten, waarbij elke agent zich volgens zijn eigen lokale interactieregels gedraagt. Geen individuele agent, of groep van agenten, bepaalt het gedragspatroon dat het systeem als geheel vertoont of de manier waarop dit patroon zich ontwikkelt. Deze benadering doet geen beroep op iets dat buiten het systeem staat en vanaf daar zijn wil oplegt. Een blauwdruk die het gehele systeem organiseert is er niet.
Kauffman toonde met zijn computersimulaties aan dat een netwerk dat uit een groot aantal entiteiten (agenten) bestaat, die op een willekeurige manier met elkaar interageren, in relatief korte tijd evolueert in een verbonden, autokatalytisch netwerk.(17) Met andere woorden, wanneer entiteiten met elkaar op een willekeurige manier interageren, beginnen sommige entiteiten een rol te spelen in de constructie van de andere. Dit wordt het proces van katalyse genoemd. Na verloop van tijd plooien de gedragspatronen die uit deze katalytische interactie opduiken, op zichzelf terug en vormen autokatalytische netwerken. Concreet betekent dit dat entiteit A een rol speelt in de constructie van B, die een rol speelt in de constructie van C, die een rol speelt in de constructie van A. Er is geen ontwerp of blauwdruk voor dit netwerk. Het emergeert en houdt zichzelf op een zelf-referentiële manier in stand. Het patroon dat ontstaat is zelforganiserend. Zelforganisatie is zo een intrinsieke eigenschap van de interactie, waardoor het de emergentie van een patroon veroorzaakt.
Merk op hoe verschillend dit denken is ten opzichte van het denken in termen van reïficatie. Wanneer je reïficeert betekent dit dat allerlei concepten een bepaalde inhoud wordt gegeven, die als referentie wordt genomen om betekenis te geven aan de sociale werkelijkheid. Dit maakt dat het systemische of molaire raamwerken worden (feedback mechanismen) waardoor gedragsregels buiten het systeem geacht worden te staan, en waaraan gerefereerd wordt om het handelen te corrigeren of te stroomlijnen. Het gevolg is dat bijvoorbeeld ‘cultuur’ als een collectief wordt geïndividualiseerd waaraan je waarden en motieven kan toeschrijven. Deze manier van denken beschrijft het collectief als een handelend individu. Het gedrag van de leden van een organisatie, een samenleving of het strafrechtsysteem wordt dan aangedreven door de waarden van die gemeenschap. Hierdoor worden de normen en waarden geabstraheerd van het dagelijkse leven. Kortom, wanneer men reïficeert idealiseert men het collectief, dat als een persoonlijkheid wordt verbeeld die de handelingen van de leden rechtvaardigden. Echter, deze idealisatie leidt de aandacht af van de alledaagsheid in het dagelijkse handelen en van de interactie in het hier-en-nu. En het is juist deze ‘alledaagsheid’ die onophoudelijk doorwerkt bij de totstandkoming van stabiliteiten en waarvoor wij wetenschappelijke aandacht vragen.(18)

 

Veiligheidscontrole als proces

Door reeksen van interacties als uitgangspunt te nemen van de analyse van de sociale werkelijkheid kan er een basis worden gelegd voor een ‘procesdenken’. Dit denken gaat uit van één lange aaneenschakeling van vormen van interacties waarvan de oorspronkelijke betekenis vaak totaal zoek is. Meer nog, de relatie tussen oorzaak en gevolg is zeer ambigue en kan moeilijk worden vastgesteld. Dit maakt het erg problematisch om te zeggen wat precies wat veroorzaakt, of wat het gevolg is van wat. Denk bijvoorbeeld aan de autokatalytische netwerken waarnaar Kauffman onderzoek heeft gedaan. Het probleem is nog erger door de vele toevalligheden die op oorzaken lijken, maar eigenlijk relationeel van aard zijn.(19) Dit betekent dat het erg lastig is om specifieke voorspellingen te doen van wat er zal gebeuren in een specifieke plaats over een specifieke tijdsperiode. Kortom, wanneer we het functioneren van het veiligheidscomplex, wat vaak bestempeld wordt als een hardnekkige penale cultuur of weerbarstige praktijk, bestuderen als een interactiepatroon (20) dat niet zozeer de implementatie is van een voorafgaand ontwerp, dan wel het resultaat van een emergent wisselwerkingsproces, gaat de onderzoeksaandacht uit naar interactiethema’s die de ervaringen organiseren, zoals bijvoorbeeld de thema’s die onprettig zijn en veelal worden vermeden.(21)
Op die manier wordt duidelijk dat het veiligheidscomplex niets anders is dan tijdelijke ‘succesvolle’ interactiepatronen en -thema’s, die door de participanten geaccepteerd worden als ‘goed genoeg’ om te worden herhaald, en aldus organisatiegewoonten worden. De herhaling van deze patronen en thema’s brengt stabiliteit van de collectieve identiteit (ofwel organisatiecultuur) tot stand en organiseren de samenwerking. Deze patronen en thema’s worden uitgedrukt in een bepaalde organisatietaal, dat wil zeggen: in bepaalde manieren van doen en zeggen. Deze manieren vormen zowel de collectieve identiteit (het strafrechtssysteem) als allerlei aspecten van hun individuele identiteiten. De herhaling van organisatiegewoonten (cultuur of taal) die ‘goed genoeg’ zijn, verhoogt de efficiëntie omdat mensen beter worden in wat ze doen wanneer ze deze gewoontes steeds op een gelijkaardige manier herhalen. Deze gewoontes (zoals een welbepaalde manier van praten) zijn veilige thema’s die de samenwerking organiseren.(22) Ze weerspiegelen wat als officiële gedragsnormen is geëmergeerd, wat maakt dat de vigerende machtsrelaties als natuurlijk aanvoelen. Nieuwkomers in het veiligheidscomplex vinden dat zij deze legitieme manieren van spreken moeten gebruiken indien zij bij de organisatie betrokken willen geraken. Echter, we haasten ons om op te merken dat deze patronen nergens liggen opgeslagen en nooit vastliggen. Juist omdat ze voortdurend geïmiteerd worden, hebben ze steeds het potentieel tot transformatie en dus veranderingen teweeg te brengen.

 

Kleine afwijkingen

Maar, als de dynamieken van politie en justitie emergent zijn, en dus niet noodzakelijk overeenkomen met de vooraf bepaalde ontwerpen en bedoelingen, hoe veranderen die instituten dan? Zoals het onderzoek van Kauffman uitwees ontstaan nieuwe patronen, en dus nieuwe betekenissen, veelal in interacties die worden gekenmerkt door diversiteit.(23) Kortom, wanneer er weinig diversiteit tussen mensen bestaat en zij solide (en vaak rigide) begrippen en manieren van omgaan met elkaar hebben ontwikkeld, leveren hun interacties waarschijnlijk weinig nieuwe dingen op. De interactiepatronen zullen eerder repetitief zijn. Groepen daarentegen waarbinnen een waaier van diversiteit heerst, zullen te kampen krijgen met dissonantie en vormen van ‘ongehoorzaamheid’. Succesvolle veranderingen liggen dus tussen deze beide uitersten, iets wat Kauffman ‘de rand van chaos’ noemt.(24)
Zoals we eerder hebben opgemerkt, is de kans zeer groot dat de gedragingen die uit deze complexe wisselwerkingsprocessen opduiken routines en gewoontes worden en zich op een molair niveau stabiliseren. Kenmerkend voor routines en gewoontes is nu eenmaal dat zij een betekenis omvatten die duidelijk omlijnd en afgebakend is. Dat bepaalt de betrouwbaarheid en robuustheid van deze routines. Bovendien is het zo dat wanneer deze routines succes kennen, het deze vaak versterkt, hetgeen door hervormers kan ervaren worden als een weerbarstige praktijk. Routines gaan daarom vaak vergezeld van een bepaald formeel taalgebruik (dat veelal andere interactievormen uitsluit), waarbinnen taken en rollen duidelijk worden gedefinieerd. Bijgevolg beïnvloeden zij in belangrijke mate de samenwerking. Op die manier brengt de voortdurende herhaling van gewoontes stabiliteit van de collectieve identiteit en dus een veiligheidscultuur tot stand. De wijze waarop bijvoorbeeld het strafrecht functioneert, de weerbarstige penale praktijk of de cultuur van controle die door vele criminologen wordt bekritiseerd zijn dus eerder stabiele reeksen van interacties, dan determinerende krachten. Deze gewoontes belichamen daarom de officiële gedragsnormen, wat maakt dat de machtsrelaties die hierbij zijn ontstaan vaak als vanzelfsprekend overkomen. Na verloop van tijd abstraheren, objectiveren of reïficeren de actoren deze repetitieve gedragingen en beschouwen ze als dingen die er altijd geweest zijn en vanzelfsprekend zijn. Men ‘vergeet’ met andere woorden dat ze ontstaan zijn uit menselijk handelen. Mensen in organisaties wennen aan deze stabiliteit en ze zullen zich bedreigd voelen, zelfs agressief, wanneer iemand nieuwe manieren van omgaan introduceert.
Wie zich toelegt op de bestudering van het veiligheidscomplex, zal zich ons inziens, daarom óók moeten focussen op de kleinste afwijkingen of de minieme veranderingen in reeksen van interacties.

 

Besluit

Het veiligheidscomplex wordt geïdentificeerd met repetitieve patronen van taal en macht, maar negeert de complexe wisselwerkingsprocessen waarin deze ‘orde’ is geëmergeerd. Het abstraheert en benoemt met andere woorden deze repetitieve patronen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de legitieme taal van organisaties alsof het een systeem was dat reeds bestond buiten de communicatieve processen. Hierdoor negeert dit denken de voortdurende mogelijkheid tot transformatie. En kan het verandering niet anders verklaren dan dat een uitzonderlijk individu (beleidspersoon) de verandering heeft opgelegd. Het hier beschreven procesdenken biedt echter de mogelijkheid om het handelen binnen maatschappelijke en sociale processen te bestuderen, waardoor je eerder de nadruk legt op de belevingen, wereldbeelden, spreekstijlen en omgangsvormen van iedereen die participeert in (en niet aan) het veiligheidscomplex. Op die manier maakt het duidelijk dat het handelen niet uitsluitend een zaak van rationaliteit en functionaliteit is, en dus maakbaarheid en controle, maar dat er ook andere processen werkzaam zijn waarover er weinig of geen controle is.

 

Noten

(1) Terpstra, J. (2010), Het veiligheidscomplex. Ontwikkelingen, strategieën en verantwoordelijkheden in de veiligheidszorg. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
(2) Schuilenburg, M. & Van Calster, P. (2010), Molair en moleculair onderzoek in veiligheidsstudies, Panopticon, nr. 4, p. 59-66.
(3) Berger, P.L. & Luckman, T. (1966), The Social Construction of Reality: A Treatise in the Sociology of Knowledge, New York: Doubleday, p. 106-109.
(4) Zie ook Van Calster, P. & K. Verfaillie (2007) Het strafrechtsysteem als narratief proces. Over (de illusie van) maakbaarheid en contrôle. In: Calster, P.J.V., Van & et al, (Eds.), Liber Amicorum Christiaen Eliaerts, pp. 319-332. Brussel: VUBpress.
(5) Van Calster, P. (2005), Georganiseerde Criminaliteit als Emergent Fenomeen van Complexe Wisselwerkingsprocessen, doctoraatsthesis, Brussels University Press.
(6) Schuilenburg, M. & Van Calster, P. (2010).
(7) Beck, U. (1986) Risikogesellschaft; auf dem Weg in eine andere Moderne Frankfurt am Main, Suhrkamp (Risk society; towards a new modernity, London, Sage Publications).
(8) Zie ook Van Valster, P. (2006) Naar een criminology van het lichaam? Over angst, het nemen van risico’s, belevingen en identiteit, Justitiële Verkenningen, 32, 5/06, p. 45-62.
(9) Vgl. Heisenberg, W. (1962), La Nature Dans la Physique Contemporaine, Paris: Gallimard, p. 19.
(10) Van Calster, P. (2005).
(11) Mainzer, K. (1997), Thinking in Complexity. The Complex Dynamics of Matter, Mind, and Mankind, Heidelberg, New York: Springer-Verlag Berlin; Taylor, M.C. (2001), The Moment of Complexity. Emerging Network Culture, Chicago: University of Chicago Press. Kauffman, S.A. (1993), Origins of Order. Self-organization and Selection in Evolution, Oxford: Oxford University Press; Kauffman, S.A. (1995), At Home in the Universe, New York: Oxford University Press.
(12) Relatief toegankelijke studies over dit process van zelforganisatie zijn o.a. Mainzer, K. (1997); Taylor, M.C. (2001); Nicolis, G. & Prigorine, I. (1989), Exploring Complexity. An Introduction, New York: W.H. Freeman & Company; Prigorine, I. & Stengers, I. (1984), Order Out of Chaos. Man’s New Dialogue with Nature, New York: Bantam Books; Gell-Mann, M. (1994), The Quark and the Jaguar: Adventures in the Simple and the Complex, London: Abacus.
(13) Zie hiervoor ook: Schuilenburg, M. & P. Van Calster (2010).
(14) Ray, T.S. (1992) An Approach to the Sythesis of Life, In: Langton, G.S., C. Taylor, J. Doyne Farmer & S. Rasmussen (eds.) Artificial Life II, Santa Fe Institute, Studies in the Science of Complexity, vol. 10, Reading, MA, Addison-Wesley.
(15) Kauffman, S.A. (1993; 1995).
(16) Mainzer, K. (1997).
(17) Kauffman, S.A. (1995, p. 63-64).
(18) Schuilenburg, M. & Van Calster, P. (2010).
(19) Cilliers, P. (1998) Complexity and Postmodernism. Understanding Complex Systems, London/New York: Routledge.
(20) Maar dit neemt uiteraard niet weg dat er doorheen de vele processen van onderzoek en beleid voortdurend elementen van rationeel plannen en bepaaldheid bestaan. Net zoals het niet wegneemt dat er ook intense onderhandelingen (en dus sociale netwerken) worden aangegaan waarbinnen allerlei afspraken kunnen ontstaan die al dan niet worden nageleefd. Anders gezegd, vanuit een procesdenken lijken maakbaarheid en controle slechts relatief. Elk streven ernaar produceert onbedoelde gevolgen waarop je weinig greep kan uitoefenen. Om die redden lijken intenties, modellen en goede bedoelingen vaak hun maagdelijkheid te verliezen na ‘confrontatie’ met de sociale werkelijkheid zelf.
(21) Vgl. Van Calster, P. (2005).
(22) Zie ook Schuilenburg, M.B., A. Coenraads & P.J.V. Van Calster (2009) Onder de mensen; de aanpak van transportcriminaliteit door politie, verzekeraars en schade-experts. Justitiële Verkenningen, 35 (1), pp. 43-62.
(23) Kauffman, S.A. (1993; 1995).
(24) Kauffman, S.A. (1993).

Top